Fragmenten

“God schiep de wereld, maar de Hollanders schiepen hun eigen land.” Het Zuiderzeeproject bracht Nederland internationale faam en wordt algemeen als een groot succes beschouwd. De inpolderaars geloofden in een project waaraan ‘geen smet mocht kleven’ en in een model-poldersamenleving die volgens ‘moderne inzichten’ was samengesteld.

Urk werd in 1939 eiland af en onderdeel van ‘het project’. Een groter contrast kan men zich nauwelijks voorstellen: een geïsoleerd, verarmd eiland waarop door natuurlijke selectie slechts de sterksten overbleven. Een bevolking met een gelovige, sobere en gemoedelijke levensstijl, sterk betrokken met elkaar, het eiland, de zee.

Daar tegenover de Noordoostpolder – geschapen op de tekentafel van de inpolderaars. Een maakbare samenleving bestaande uit zorgvuldig geselecteerde boeren, arbeiders en middenstanders.

Hoewel een aantal Urkers bij de inpoldering als baggeraars aan de slag konden, werd er bij de inrichting van de polder geen rekening gehouden met de noden van het voormalige eiland. Urk werd beschouwd als een ‘probleem’ en bewust gemarginaliseerd. Plannen lagen klaar om de helft van de bevolking naar elders te laten verhuizen, en het oude dorp af te breken.

In ZoutZoet vertellen ooggetuigen over de veelbewogen overgang van de zoute naar de zoete tijd. Zij vertellen de andere, zo goed als onbekende kant van het inpolderingsverhaal. De marginalisatie van een historische vissersgemeenschap en uitsluiting van hen die dit gebied eeuwenlang als leefgebied beschouwden, wordt pijnlijk duidelijk. Nog niet eerder gepubliceerd archiefmateriaal vormt de basis van het onderzoek.

Juriaan Brouwer (1962) studeerde aan de HEAO te Amsterdam en aan de Fachhochschule Wirtschaft te Dortmund. Daarnaast studeerde hij Management Culturele Instellingen aan het Centrum voor Kunst- en Mediamanagement te Utrecht. Hij werkt freelance op het gebied van culturele projecten. In 1992 was hij één van de oprichters van de Stichting Culturele Activiteiten in Urk.

Lucia de Vries (1964), journalist, studeerde Vredesstudies aan de Universiteit van Bradford. Ze werkte als beginnend journalist bij Het Urkerland, Visserijnieuws en het Lelystads Dagblad. Na een korte carrière in Nederland vestigde ze zich in 1991 als correspondent en sociaal werker in Azië. In Nederland is ze betrokken bij historische en journalistieke projecten.

Uit het Voorwoord:

Het verhaal van de inpoldering is vaak verteld en wordt nog dagelijks in een aantal informatiecentra herhaald. Het vermogen van de mens om de zee te bedwingen, de transformatie van visgrond in vruchtbaar akkerland, nieuwe gemeenschappen op de bodem van de zee. Inpoldering is zonder twijfel Nederlands grootste succesverhaal.

Maar er is een andere, zo goed als onbekende kant aan dit verhaal: De marginalisatie van historische vissersgemeenschappen en uitsluiting van hen die dit gebied eeuwenlang als leefgebied beschouwden. Degenen die zowel de zoute als zoete tijd meemaakten zijn inmiddels dun gezaaid. Ze wonen in kleine visserswoningen, nu voorzien van gemakken als stromend water, kachels en douches, of in luxe bejaardentehuizen. Ze zijn kinderen van hun tijd, maar leven volop in het nu, genietend van de zegeningen van de nieuwe eeuw.

Wij groeiden op in het Urk van de jaren zestig en zeventig, in een tijd waarin historische woningen werden afgebroken en vervangen door eigentijdse, niet-passende huizen. De wegen naar het voormalige eiland werden geasfalteerd, industrieterreinen ontgonnen. Het was de tijd van het Wonder van Urk en het zicht op het IJsselmeer werd ontnomen door moderne Noordzeekotters en koelwagens uit alle delen van Europa. De ingang van het dorp werd ‘opgefleurd’ met een betonnen orca en een betonnen supermarkt. Het eilandverleden werd letterlijk met de grond gelijk gemaakt.

Hoewel we onze grootouders goed kenden waren we ons nauwelijks bewust van hun verleden – het feit dat ze schrijnende armoede, de crisis en de inpoldering van nabij hadden meegemaakt. Dat ze de zee droog zagen vallen en de eerste onzekere stappen op de zeebodem plaatsten. We wisten dat onze vaders als kind water haalden bij de put en als eersten van hun generatie de kans kregen om na de lagere school enkele jaren door te leren. Het drong niet tot ons door hoe groot de omslag in hun leven was geweest.

We gingen naar een nieuwe school in de nieuwe polder en leerden hoe een klein land groot kan zijn. Hoe we dankzij techniek en vernuft de zee weten te bedwingen. Vanuit de bus zagen we eindeloze landbouwpercelen, riante boerderijen, combines, tractors. Het kwam niet in ons op dat vissersgemeenschappen als de onze geen enkele inspraak in Lely’s droomproject werd gegund en aan de kant werden geschoven zodra zorgvuldig geselecteerde polderbewoners op het toneel verschenen.

Pas veel later werden we nieuwsgierig naar hoe het was, het leven op dat kleine eiland in het midden van een zoute zee. We voelden dat de tijd begon te dringen, dat de verhalen over de overgang van zout naar zoet binnenkort alleen van horen zeggen zouden zijn. We interviewden oudere familieleden en kennissen; de verhalen maakten grote indruk. Het onmenselijke leed in de vorm van doodgeboren kinderen, verdrinking, onbehandelde ziekten. De schrijnende armoede en het vele werk. Maar bovenal waren we onder de indruk van de waardigheid waarmee deze generatie haar leven leidde en wist om te gaan met de grootste verandering die een gemeenschap kan ondergaan: de totale verandering van setting, het verlies van traditionele werkgelegenheid en marginalisatie. We vroegen ons af hoe de zoutzoet-generatie de oude en nieuwe wereld in zich meedraagt zonder het spoor bijster te raken.

Dit boek is het bewijs dat het mogelijk is en dat de kracht van een traditionele gemeenschap nooit mag worden onderschat. Nu de opvattingen over waterbeheersing veranderen en de nadruk verschuift van bedwingen naar ‘leven met’, wordt het verhaal van een eeuwenoude vissersgemeenschap aan de rand van een artificiële modelpolder zo mogelijk nog veelzeggender. Het is belangrijk dat het verhaal van de inpoldering nog eenmaal wordt verteld: ditmaal uit de mond van hen die als zij de ogen sluiten zien wat wij nooit zullen zien: een vrije zee in plaats van geschapen land, schepen op de plek van boerderijen, een eindeloze horizon in plaats van huizen, torens, windmolens.

Uit Hoofdstuk 1:

3 oktober 1939

De dood van een eiland

De dag begint zoals iedere andere dag: met het opkomen van de zon boven de Zuiderzee ter hoogte van Schokland. Om zes uur hoort men de baggermolens, met hun, aldus dorpsdichteres Mariap van Urk, ‘nieren-doordringend staal-knarsgeluid’ en ‘eindeloos-wentelend moddergespuit’. Op dit vroege uur bewijst niets dat vandaag een alles beslissend moment voor het ruim duizend jaar oude eiland Urk zal plaatsvinden.

Dirkje de Boer (20) wordt zoals gewoonlijk door haar vader gewekt met een kopje thee op bed. Om half negen begint ze met de was – die van haar dertien broers en zussen plus het Urker goed van haar ouders. Ze haalt met emmers water uit zee, stookt het fornuis op, brengt het water aan de kook, en zet de was in de week. Pas dan heeft ze tijd voor het ontbijt: twee boterhammen, die in het gezin De Boer, in tegenstelling tot de meeste andere Urker gezinnen waar de tafel als bord wordt gebruikt, op een ontbijtbordje worden gesmeerd. Daarna neemt ze de woonkamer onder handen.

Hoewel Jan ten Napel (19) in Urks enige gerenommeerde uitspanning, hotel Woudenberg, werkt, valt ook hem deze morgen niets bijzonders op. Zijn bazin geeft hem opdracht het restaurant klaar te maken voor vanavond: ‘Zuiderzeewerken‘ organiseert een feest. Terwijl de herfstzon aan de horizon klimt, begint hij met het sorteren van het bestek.

De zussen Jannie, Klazien en Marretje Baarsen gaan gewoon naar school. Na schooltijd zal moeder Jante (beter bekend in haar rol als dodenaanzegster) zoals gewoonlijk twee ijskarretjes vullen met zelfgemaakt ijs, voor de verkoop. De zussen zullen de karretjes de ‘bult’ opzeulen en bij de haven aangekomen op zoek gaan naar mogelijke bezoekers en toeristen.

Leendert Brouwer (15), enig kind van een Zuiderzeevisser die zijn bestaan bedreigd ziet, vent ook vandaag met boter, kaas en eieren. Hij opent de deuren van de gedrongen visserswoningen en roept “Volluk!” Leendert is blij met zijn baantje: hij hoeft tenminste niet als derdemannetje aan boord van een botter of haringlogger. Niet dat het venten gemakkelijk is. Een ei is een grote luxe, en in deze onzekere tijd zetten de eilandbewoners de tering naar de nering.

Als iemand op de hoogte zou kunnen zijn van de historische gebeurtenis die vandaag gaat plaatsvinden, is het Johannes Gerssen (25). Hij werkt als baggeraar bij ‘Zuiderzeewerken’ en is goed op de hoogte van de technische aspecten van de inpoldering. Maar ook hij vertrekt ’s morgens gewoon naar zijn werk, ergens ter hoogte van wat later Schokkerhaven zou worden genoemd.

Tegen het middageten verschijnen de eerste gasten in de haven: verslaggevers van landelijke kranten en radio, bestuurders van Zuiderzeewerken, aannemers en enkele vertegenwoordigers uit Den Haag. Op hetzelfde moment zet Dirkje twee pannen aardappels op het vuur, Jan ten Napel herschikt de tafels in Hotel Woudenberg, de zussen Baarsen rennen vanuit school naar huis, Leendert loopt met zijn eieren te leuren en Johannes neemt samen met zijn collega’s een lunchpauze in een bouwkeet, aan boord van een baggerschip, ergens ten zuidwesten van Urk.

Om een uur of twee verlaat het passagiersschip ‘Geusau’ de Urker haven. Aan boord een vijftiental bestuurders en politici, de Urker burgemeester en in het Urker pak gestoken wethouders, en de Urker predikanten. Verder een klein groepje vrouwen in klederdracht, inclusief dichteres Mariap van Urk. In hun kielzog vaart de ‘Idonea’, het vlaggenschip van de Eerste Urker Stoomvaart Maatschappij, met een groepje belangstellenden. Zij hebben vijftig cent neergeteld om erbij te zijn.

Om half drie liggen de schepen voor de Lemsterdijk, voor een gat van zeven meter. Het water spoelt woest door het sluitgat naar binnen, spartelend als een ten dode opgeschreven vis. De schippers kunnen slechts met grote moeite de schepen op veilige afstand van de opening houden. Grijpers werpen doelgericht kluiten keileem. Een kwartier later neemt de kracht van het water af en wordt de golfslag regelmatig. Een oorverdovend sireneconcert stijgt op als een grijper de laatste hap grond in het sluitgat werpt. Urk is voorgoed eiland af. Zout wordt zoet. Een nieuwe bladzijde in het opus magnum van ingenieur Lely is geopend. 3 Oktober staat op Urk te boek als ‘de dag der drieëndertig kluiten’.

De Standaard zou er de dag erop mooi over schrijven. De krant voelt zich tijdens haar zestigjarig bestaan nauw verbonden met ‘de Zuiderzeevisschers’ die vrijwel allemaal op de Antirevolutionaire lijst stemmen en daardoor zielsverwanten zijn. Een correspondent schreef al in 1932 met weemoed over ‘de keerzijde van het grootsche werk der droogmaking’: het sterven van de Zuiderzee en de ondergang van de visserij. De Geïllustreerde Pers kopt ‘Een eiland verdween’ en meldt dat de Urkers met weemoed zijn vervuld, nu hun lapje grond geen eiland meer is. “Straks, wanneer de Noord-Oostelijke Polder voltooid is, zal men nauwelijks nog kunnen vermoeden, dat zich hier ’n eenzaam eiland eeuwenlang handhaafde als een rots in de onstuimige zee.” De correspondent memoreert weemoedig dat “het karakter van Urk, en van de menschen die er wonen, volslagen zal veranderen. Een afgesloten, eigen gemeenschap zal vervloeien in nieuwe verhoudingen. Vastelandsmenschen zullen zich te Urk vestigen en Urkers ver weg trekken van hun geboortegrond. Vele Urkers zullen landrotten worden, zij zullen het zeemanschap van hun voorvaderen vergeten.”

Om drie uur klimt een lachende Tiemetje Romkes, uitgekozen om de Nederlandse vlag op het sluitgat te planten, onvervaard op het glibberige keileem. De Urker burgemeester Keijzer, in laarzen gestoken, volgt. Op het sluitgat geeft hij zijn collega Krijger uit Lemmer, die per schip vanuit Friesland is gearriveerd, een stevige handdruk. Een luid gejuich stijgt op. De zussen Baarsen rennen op dat moment via de noordpunt van het eiland naar huis. Ze stoppen even om te luisteren. In de verte zien ze vlaggen en een hoop drukte. Maar de ijskarretjes wachten. Snel lopen ze door.

De Urker burgemeester Keijzer neemt zijn kans om een historische toespraak te houden, in de aanwezigheid van de landelijke pers. “Veel van het oude zal verdwijnen doch daarvoor komt het nieuwe in de plaats. Hoewel er vele mooie dingen op Urk zijn, zijn er ook vele volksgebreken op Urk die tot nu toe weinig correctie hebben ondergaan. Dit zal nu veranderen.” De burgemeester zegt ‘zeer optimistisch’ over de toekomst van Urk te zijn: het voormalig eiland zal zich richten op de landbouw. Hij bedankt de regering voor haar hulp in de overgangstijd.

Weinig Urkers horen de wat vreemde toespraak van hun burgemeester. Aan Dirkje gaat de hele gebeurtenis voorbij omdat zij op dat moment de was uitspoelt. “Er was in die tijd ontzettend veel drukte op Urk, met die baggermolens en zo. Maar eigenlijk maakte je er niet zoveel van mee. Het was mannenwerk”, zegt ze later. “Wel dacht ik in die tijd: hoe oud zou ik wezen als we ingepolderd zijn? Kan ik dan nog ergens naar toe? Een jurk halen bijvoorbeeld was een heidens karwei: met de boot naar Kampen en dan de nacht over in Zwolle, of naar Enkhuizen en dan met de trein naar Hoorn. Met slecht weer hingen de meeste mensen anderhalf uur ziek overboord. Of je ging met de botter naar Amsterdam – dan moest je daar blijven slapen.” Dirkje maakt zich in de tijd van de inpoldering zorgen over ‘de broodwinning’. Ze heeft een spaarboekje, ‘dan heb je altijd wat achter de hand, voor de zekerheid’.

Ook aan Hinkien (24) gaan de gebeurtenissen voorbij. Ze ‘dient’ in Scheveningen, als hulp in de huishouding van een joodse familie. Als op de Lemsterdijk de Urker vlag wordt geplant is ze druk met de afwas, die kosher moet gebeuren. Hinkien: “Het ging langs me heen. Maar als je thuiskwam, was je blij dat de Zuiderzeewerken waren begonnen. Dan waren er werkzaamheden voor de mannen. Als er geen vis was dan was er altijd nog de inpoldering. Verder dacht je daar niet over na, je ging gewoon mee met de tijd.”

Ook Johannes mist het moment van de voltooiing van de dijk. “Je had geen televisie dus je maakte van die dag niks mee. Misschien werd het wel via de radio uitgezonden maar ik had geen tijd om te luisteren”, memoreert hij.

Leendert herinnert zich alleen dat winkelier Tiemen Buter die dag de vlag halfstok had hangen. “Ik denk dat hij het deed omdat hij als middenstander afhankelijk was van de visserij en hij wist dat deze minder werd. De biologen van het Visserijschap hadden meer snoekbaars in het zoete water voorspeld, maar dat was niet uitgekomen. Later kwam er een palingverbod – eerst op de paaiplekken, toen een totaalverbod. De oudere generatie had het gevoel dat het einde in zicht was gekomen.”

Die avond bedient Jan ten Napel de bestuurders van Zuiderzeewerken en gasten in Hotel Woudenberg. “Ze waren gekomen met de boot ‘Toerist’ en lagen in de Urker haven. De Directie en de aannemers feestten tot half een. Ik kan me niet herinneren dat er Urkers bij waren, behalve misschien een paar kraanmachinisten. Zo’n feest was voor de hoge heren, hè?”

3 oktober 1939 mag dan de meest ingrijpende dag in de Urker geschiedenis zijn geweest, het moment van verbinding met het vasteland gaat grotendeels ongemerkt aan de bevolking voorbij. De Urkers zijn vanaf nu de eerste en voorlopig ook enige bewoners van de nieuw te scheppen polder. Maar het is alsof ze nauwelijks een rol spelen. Decorstukken in een project ‘waaraan geen smet mocht kleven’ en dat ruimte biedt voor de schepping van een modelsamenleving, een lichtend voorbeeld voor de rest van de bevolking. Het bezweren van de onvoorspelbare binnenzee, de Zuiderzee, zal Nederland internationale faam opleveren, en een Amerikaanse journalist doen concluderen: “God schiep de wereld, maar de Nederlanders schiepen Holland.”

Wat was precies de visie van ‘de mannen van Lely’ ten aanzien van het Zuiderzeeproject? Welke rol speelden de randgemeenten en de ‘gedupeerden’ – de Zuiderzeevissers? Hoe was de overgang van het vrije, ‘zoute’ bestaan op en rond de Zuiderzee naar een ‘zoet’ leven ingeklemd tussen IJsselmeer en polders? Vragen te over. Ook verwarrende vragen, zoals: waarom gaf burgemeester Keijzer publiek een negatief oordeel over ‘zijn’ bevolking?; waarom speelde de Urker bevolking een marginale rol in de feestelijkheden terwijl het dichten van het sluitgat de dood van haar eeuwenoude eiland en visgronden betekende? Wat we ons natuurlijk vooral afvragen, is hoe het afliep met de vrijgevochten Zuiderzeevissers, die nu ‘landtrappers’ moesten worden?

 

 

 

Advertisements